Noah Korevaar
Noah Korevaar Nieuws 11 sep 2020

Niet te koop: Jeroen bouwde zijn eigen Mini-oprijwagen

Jeroen Benrath bouwde zijn eerste oprijwagen voor – en op basis van – de oer-Mini, maar met zijn tweede rijdt hij steeds vaker nieuwe Mini’s rond.


  • Dit artikel komt uit het Autovisie archief van 2017. Prijzen, vergelijkingen en andere informatie kunnen ondertussen achterhaald zijn
  • Tekst en fotografie: Arno Lingerak
  • Dit artikel lezen in de originele magazine-opmaak? Klik hier voor de PDF

Nieuwe business

Als het vroeger slecht weer was, bood mijn moeder weleens aan om me naar school te brengen in haar Mini. Maar ik vond het niks. “In zo’n koektrommel hoeft je mij niet weg te brengen”, riep ik dan. En toch kocht ik op mijn zestiende een Mini. Hij kwam van de sloop en er moest van alles aan gebeuren, maar het was wél mijn eerste auto. Toen ik op mijn achttiende mijn rijbewijs had gehaald, had ik het Mini-virus inmiddels goed te pakken. De combinatie van het klassieke uiterlijk en het kartgevoel deed het hem.

Mini Oprijwagen Mini Oprijwagen

Ik heb er sinds die eerste zeker een stuk of tien gerestaureerd. Voor mezelf dan. Ik zat in die tijd in de jachtbouw, maar op een gegeven moment wilde ik iets anders. Ik ben redelijk handig en omdat ik altijd al met auto’s bezig was, werd me ook gevraagd aan andermans auto’s te sleutelen en ze te restaureren. Ik ben toen drie dagen in de week voor mezelf gaan werken en drie bij de baas. Dat heeft maar een paar maanden geduurd, toen liep mijn eigen zaak al zo goed dat ik mijn baan heb opgezegd.

De eerste klus die ik kreeg, was een complete restauratie. Afgaande op het taxatierapport dat de eigenaar daarna kreeg, was ik met vlag en wimpel geslaagd. Die auto is op verschillende shows geweest. Zo zagen Mini-liefhebbers wat ik kon en is het gaan lopen. De laatste tijd wordt het wat minder met de klassiekers; ik werk steeds meer aan moderne Mini’s.

Mini Oprijwagen

Mini-oprijwagen

In eerste instantie haalde ik auto’s op met een Landrover met aanhanger, maar op m’n tweeëntwintigste bouwde ik mijn eerste Mini-oprijwagen. Geheel volgens aanwijzingen en regels van de RDW, maar bij de eerste keuring bleek er toch van alles mis. Ze wilden geen handtekening zetten.

Ik ben er ettelijke malen mee langs geweest. Steeds moesten er weer andere dingen worden aangepast en kon ik weer aan de slag. Het heeft zeven jaar geduurd voor die eerste wagen de weg op mocht. Na een paar jaar heb ik hem verkocht en het is sindsdien een reclameobject.

Op die eerste wagen kon precies een originele Mini staan. Ik besloot bij de volgende oprijwagen rekening te houden met wat grotere auto’s. Gewapend met de kennis die ik inmiddels had, was die een stuk sneller klaar.

Het is eigenlijk heel eenvoudig: je haalt wat staal en begint gewoon. Ik bouwde eerst het ladderchassis onder de achterkant, maar toen ik de bestelde assen ging ophalen, bleken er 12-inchwielen aan te zitten. De 10-inchwielen die ik eronder wilde hebben, waren niet meer leverbaar. Toen moest ik de bak, die oorspronkelijk vlak was, van een hobbel voorzien.

30.000 kilometer per jaar

Toen de achterkant af was, is het geheel vastgelast aan de Mini-voorkant. De chassisbalken lopen door onder de voorstoelen. De wagen mag 3600 kilo dragen. Je kunt dus zeggen dat alles wat er op kán er ook op mág. Maar ik blijf onder de 3500 kilo, anders zou ik mijn groot rijbewijs moeten halen om met een Mini te kunnen rijden, haha.

Met of zonder last rijden maakt eigenlijk niets uit: het wagentje haalt altijd 120 kilometer per uur en dat mag ik er ook mee rijden. Het trekt nog best vlot op ook en remt zelfs met een Mini erop uitstekend.

Er zit veel werk in en ik heb hem heel veel gebruikt: zo’n 30.000 kilometer per jaar was heel normaal. Maar tegenwoordig rijd ik nog maar een fractie daarvan. Ik moet gewoon steeds minder vaak een auto ophalen. Mensen met nieuwe auto’s vallen natuurlijk minder vaak stil en hebben in tegenstelling tot klassiekerrijders vaak een pechhulpabonnement.

Dus auto’s worden tegenwoordig gebracht. Ik ga er nog wel mee naar evenementen. Ik word daar zelfs vaak voor uitgenodigd. En er wordt regelmatig naar een prijs gevraagd, maar ik verkoop ’m echt niet. De liefde voor de oer-Mini gaat nooit over. Ik heb me nu al voorgenomen om als mijn zoon ouder is samen met hem een auto te restaureren. Maar dat duurt nog even. Misschien wordt het wel een elektrische.

Weetjes

De Mini is onder vele namen en in vele gedaantes leverbaar geweest. Als Austin natuurlijk, maar ook als bijvoorbeeld Leyland, Morris en Rover, als Wolseley en Riley met een klein kofferbakje en als de bekende tweedeursuitvoering, de bestel, de pick-up, de cabrio en als Mini Moke.

Bekende carrosseriebouwers als Zagato, Michelotti en Pininfarina hebben zich ook gewaagd aan een Mini-variant, en omdat de autootjes jarenlang goedkoop te krijgen waren, moeten er tientallen, misschien wel honderden meer of minder geslaagde particuliere (ver)bouwsels zijn zoals de auto van Jeroen op deze pagina’s.