Max Verstappen rondde afgelopen weekeinde zijn debuutseizoen af. Abu Dhabi mag hem geen droomresultaat hebben gebracht; de rest van het seizoen was indrukwekkend. De superlatieven zijn niet van de lucht, maar hoe goed heeft Max het nu echt gedaan in zijn rookiejaar. Wanneer je hem afzet tegen andere grote rijders?

Fotocredit: PPE


Fotocredit: PPE

Verstappen eindigde het seizoen als twaalfde in de eindrangschikking met 49 punten. Dat laatste getal is een lastige wanneer je een rijder van nu statistisch wilt vergelijken met anderen. De puntentelling is de afgelopen decennia namelijk meerdere keren veranderd. Wel heel relevant zijn de beste klasseringen. In het geval van Max waren dat twee vierde plekken (Hongarije en de Verenigde Staten). Verder scoorde de Nederlander in tien races punten.

Helemaal eerlijk is de vergelijking tussen periodes nooit. Maar als het om pure prestaties gaat, legt Verstappen het af tegen meerdere groten. Lewis Hamilton (2007) en Jacques Villeneuve (1996) stonden na hun eerste race al op het podium. Ze wonnen vervolgens hun zesde en respectievelijk vierde wedstrijd. Maar eerlijk is eerlijk, dat was voor hen destijds een stuk makkelijker in respectievelijk een McLaren en een Williams. Materiaal van iets ander niveau dan de Toro Rosso waarmee Verstappen dit jaar debuteerde.

"Kijk je naar de galerij der groten - Senna, Prost, Schumacher - dan legt Max het tegen de meeste van hen af"

Een boeiend vergelijk is ook het debuutseizoen van zijn vader. Jos wist een tiende plek voor zich op te eisen met twee derde en een vijfde plek. Ga je wat verder terug in de tijd en kijk je naar de galerij der groten – Senna, Prost, Schumacher – dan legt Max het ook tegen de meeste van hen af. Senna schopte het in zijn debuutjaar 1984 tot negende in de eindrangschikking. Met dank aan vooral zijn briljante regenrace in Monaco (tweede plek) en derde plaatsen in Portugal en Groot-Brittannië. Schumacher scoorde in zijn eerste hele seizoen (1992) een overwinning, maar Prost was minder, met een zestiende plek algemeen eind 1980 in een McLaren-Ford. Ter verdediging van de professor, die auto was minstens zo'n drama als de wagen die Woking dit jaar inzette.

Maar dat zijn puur de statistieken. Wat hierin mist, is iets ongrijpbaars, maar desondanks doorslaggevends. Namelijk strijdlust. Je hoeft er geen recordboeken bij te pakken om te kunnen vaststellen dat er jarenlang weinig rookies zijn geweest die zo onbevangen en onbevreesd het gevecht zijn aangegaan. De eerste twee in recente tijden waar je aan moet denken zijn Villeneuve en Hamilton. Allebei latere wereldkampioenen en bepaald dus geen kleine jongens. Iets langer geleden dringt de vergelijking zich op met Jean Alesi. Hij bleef steken op maar één overwinning in de F1, maar is wel een van de rijders waarvan je nog steeds denkt: wat als hij nu wel een keer op het juiste moment in de goede auto had gezeten.