Toepasselijke naam, Spectre R42. De Britse sportwagen dook begin jaren negentig op als een spookverschijning, net zichtbaar in het perifere blikveld van de auto-industrie, en verdween net zo snel weer van het toneel.

R42 6

Spectre R42

Of van het filmdoek, moeten we eigenlijk zeggen, want in 1998 beleefde de Spectre R42 zijn ‘ninety-one minutes of fame’ in RPM, een misdaadflop met David Arquette en – jawel – Famke Janssen over een autodief die een revolutionaire (want niet met een verbrandingsmotor uitgeruste) supercar moet stelen. De makers van de film wilden eerst een McLaren F1 gebruiken, maar kozen uiteindelijk voor een Spectre omdat ze die als totaal onbekend inschatten. Ze hadden het bij het juiste eind.

"De Spectre R42 beleefde zijn 'ninety-one minutes of fame' in RPM"

En dat terwijl de R42 nog wel zo’n beroemde inspiratiebron had, de Ford GT40. Ray Christopher, de man achter Spectre, bouwde met zijn bedrijf GT Developments (GTD) ongeveer 300 exacte replica’s van de Le Mans-winnende racewagen. Hij wilde echter een jaren negentig-variant creëren, dus zette hij in 1991 de R42 op papier. Het model werd opgebouwd op een verbeterde GT40-monocoque en kreeg een Ford V8 (350 pk). De naam van de auto gaf zijn hoogte in inches aan, net als bij de GT40.

De Spectre werd onthuld in oktober 1993 op de autoshow van Londen, maar helaas zorgden de hoge ontwikkelingskosten en de wereldwijde recessie ervoor dat GTD het jaar daarop failliet ging. Anders Hildebrand, de GTD-vertegenwoordiger voor Scandinavië, kocht de rechten op de R42 en bracht ze onder in het Amerikaanse Spectre Motors. Het lukte hem de productie binnen vier maanden op te starten en dealers in Zweden, Groot-Brittannië, Denemarken, België en de VS te vinden.

Hildebrand had een flair voor publiciteit. Zo wist hij de legendarische Britse coureur Derek Bell te overtuigen bestuursvoorzitter van Spectre te worden, kondigde hij een R42 GTR-raceprogramma aan en stelde hij twee auto’s ter beschikking aan de makers van de eerder genoemde film RPM. Daarbij beweerde hij met veel bravoure dat Spectre in 1996 zijn zesentwintigste R42 had verkocht en dat er plannen waren om de productie binnen drie jaar te verhogen naar tweehonderd stuks per jaar.

"De R42 was veel te duur voor wat hij bood en had eigenlijk nog meer moeten kosten"

Het bleek allemaal onzin. In totaal zijn er niet meer dan drieëntwintig R42’s gebouwd, een feit dat werd verdoezeld door chassisnummers die telkens een paar nummers oversloegen. Spectre ging in 1997 wederom op de fles, maar niet voordat de ‘verbeterde’ R45 het levenslicht zag, onthuld door Desmond Llewellyn – beter bekend als Q uit de James Bond-films – op de London Motor Show in oktober van datzelfde jaar. Het bleef bij twee prototypes.

Spectre had hetzelfde probleem als zoveel kleine autofabrikanten. De R42 was veel te duur voor wat hij bood – rimpelend glasvezel op het dak, ruitenwissers die te veel lift genereerden, een Ford Fiesta-contactsleutel – en had eigenlijk nog meer moeten kosten om de tweeduizend manuren te compenseren die nodig waren om hem te bouwen. Hij kon gewoon niet op tegen concurrenten als de Honda NSX en Porsche 964, die niet alleen goedkoper waren, maar ook stukken beter.